10 juli 2020

Boeren en natuur

In de NRC van 19 juni 2020 – link interview – wordt een viertal Twentse veeboeren uitvoerig geïnterviewd (2 volle pagina’s) met als onderwerp hun kijk op natuur. Wat zeggen deze boeren over natuur? Goed luisteren en elkaar proberen te begrijpen is een harde voorwaarde om samen de problemen te kunnen oplossen. 

Ruim 65% van Nederland (!) is agrarisch gebied, naast ca. 15 % natuur en bos. Natuurgebieden zijn bovendien in de meeste gevallen omringd door agrarische ondernemingen. Agrariërs spelen door hun landgebruik, (grond)waterhuishouding, emissies (waaronders stikstof), mest uitrijden en pesticidengebruik een cruciale rol in natuurzorg. Het zou daarom geweldig dom zijn niet te onderzoeken hoe in boerenkringen over natuur wordt gedacht.

In 2018 heeft dagblad TROUW een uitvoerig onderzoek gedaan naar wat leeft onder Nederlandse boeren onder de titel ‘De Staat van Boer’, en daarover tientallen mooie artikelen gepubliceerd. Zie link. Maar, enigszins merkwaardig is dat in de artikelenreeks niet ook expliciete aandacht is voor hoe boeren over natuur denken. Terwijl ‘natuur en milieu’ in en buiten de agrosector nu juist het grote discussiepunt is. En nogal wat boerenbestuurders al tientallen jaren een rabiate anti-natuurpolitiek voeren. Zoals LTO-Noord die het zelfs presteerde om in 2014 en 2015 tientallen rechtszaken te voeren tegen de Natura 2000 aanwijzingsbesluiten (en vrijwel allemaal verloor, zie website Raad van State met de woorden ‘LTO Noord aanwijzingsbesluit’). Het het NRC interview van 19 juni snijdt een belangrijk thema aan.

Er komt een viertal veehouders ( 2 melkveehouders, een pluimveehouder en een varkenshouder) aan het woord, die allen nabij het Overijsselse Natura 2000 gebied Springendal en het Dal van de Mosbeek wonen en werken, gelegen ten noorden van Enschede bij de grens met Duitsland. Voor meer informatie over dit natuurgebied, zie deze link.

In het artikel noemt de journalist ook kort het (Overijsselse) stikstofreductiebeleid. Bijzondere aandacht trekt de volgende passage van de journalist: “Het is lastig te geloven dat de provincie Overijssel voor een ‘stevige opgave’ staat, zoals een woordvoerder het formuleert: het overschot aan stikstof terugdringen en kwetsbare natuur herstellen.”

Op basis waarvan schrijft de journalist dat hij de opgave van de provincie lastig te geloven vindt’? Is dat enkel een vluchtige opmerking van de journalist op basis van de door hem aangetroffen flora en fauna, die er op het oog volgens hem mooi bij staat? Bedoelt hij te zeggen dat hij niet met zijn eigen ogen ‘stikstofschade’ en ‘aangetaste kwetsbare natuur’ heeft kunnen ontdekken? In de Gebiedsanalyse (link) is eenvoudig te lezen dat een hele serie natuurtypen in Springendal het moeilijk tot heel moeilijk heeft vanwege de stikstof, waaronder Heischrale graslanden, Droge Heiden, Schraalgraslanden en Vochtige alluviale bossen. Het is niet goed duidelijk waar de journalist zich op baseert.

De vier boeren krijgen nagenoeg het volledige podium in het artikel. Daarbij valt op dat ze alle vier redelijk eenstemmig in hun standpunt lijken te zijn. Hieronder een zestal citaten uit het interview. Die zijn volgens mij representatief voor de gedane uitspraken. Oordeelt u zelf door ook het volledige interview te lezen. 

  • Wij zijn generaties lang zuinig op de natuur geweest en daar moeten we nu voor boeten.”
  • Het gebied is in de loop der jaren alleen maar mooier geworden. Opener. De percelen zijn groter geworden, houtwallen verdwenen en je kunt verder weg kijken.
  • Ze kan het niet laten af en toe te wijzen op het gebrekkige onderhoud op stukken natuur die worden beheerd door de drie grote organisaties in dit gebied: Overijssels Landschap, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. “Wij werden verplicht rond een vakantiehuisje dat wij verhuren alle Amerikaanse vogelkers te verwijderen op straffe van hoge boetes, maar in de terreinen van deze organisaties staat het nog volop.
  • Koeien zijn niet slecht voor het milieu, stelt hij. Ze ruimen de stikstof op een efficiënte manier op; zij zetten plantaardig eiwit in gras om in eiwitten in melk en vlees waar de mens iets mee kan.
  • De overdreven aandacht voor natuur moet een keer in z’n tegendeel verkeren”, denkt K. “Want wie moet straks al die natuur gaan onderhouden? Dat is nu al een groot probleem. De terreinbeherende organisaties richten een natuurgebied snel in, maar onderhouden is er vaak niet bij.
  • Als je iets wilt doen aan de vervuiling met stikstof, pak dan niet de natuurgebieden aan die al zo mooi zijn. Kijk dan ook eens naar het vliegverkeer of naar het circuit van Zandvoort.

Wat zeggen deze boeren? 

Er lijken een drietal vaststellingen te kunnen worden gemaakt. 

1. De geïnterviewden zijn van mening dat de natuurschade door boeren wordt overdreven.  

2. Boeren zorgen goed voor de natuur, en zullen hard nodig blijven om voor de natuur te blijven zorgen.

3. Natuurorganisaties zorgen niet goed voor de natuur.     

Als deze opvattingen over natuur representatief zijn voor veel Nederlandse agrariërs dan is dat zonder twijfel verbijsterend vanwege het scherpe contrast met wat door veel ambtenaren, bestuurders, biologen en natuurorganisaties wordt gezegd. Hoe kan zo een grote tegenstelling bestaan?

De eerste twee punten moeten we wellicht soepel benaderen. Het is weinig mensen gegeven kritisch te zijn over zichzelf, of over zijn of haar bedrijf. Een caféhouder die ontkent dat zijn café overlast geeft voor de omgeving, Schiphol die ontkent dat vliegverkeer zware overlast en ernstige vervuiling geeft: het is een bekend liedje. Daar zijn boeren niet anders in. Daarom laat ik die eerste twee punten rusten.   

Volgens mij is belangrijker om de vraag te stellen hoe het komt het dat veehouders zich zo negatief uitspreken over natuurorganisaties. En daar soms ook nog aan toevoegen dat zij net zo goed voor natuur kunnen zorgen als natuurorganisaties. Het klinkt enigszins als een bakker die zegt dat ie net zo goed auto’s kan repareren als een garagehouder. Of zit het anders in elkaar? Komt het wellicht omdat boeren een totaal andere betekenis geven aan ‘natuur’ dan biologen, natuurorganisaties enz.? 

Belangrijke vaststelling: boeren werken met planten en dieren. En natuur: dat zijn ook planten en dieren. Maar boeren werken altijd met planten en dieren vanuit een nutsperspectief: de planten en dieren moeten wat opleveren. Planten en dieren die niets opleveren zijn waardeloos, en verdwijnen in de container.

Is een melkkoe natuur? Veel boeren zullen daar ‘ja’ op zeggen. En zullen dan ook zeggen dat 200 melkkoeien in de wei nog steeds natuur is. Daar zal dan op geantwoord kunnen worden dat 200 melkkoeien monocultuur is, en met veehouderij schadelijke emissies optreden. En daarmee een aanslag op de lokale biodiversiteit. In andere woorden: natuur in de betekenis van een veelheid aan planten- en dierenleefgemeenschappen. En voor je het weet zit je klem in een discussie over verschillende ideeën over natuur.

Bedrijfstechnisch en functioneel naar planten en dieren kijken is niet of nauwelijks te combineren met natuur een autonome of intrinsieke waarde toekennen. Dat de waarde van dieren en planten niet wordt bepaald door de directe functionele waarde voor de mens, maar als het ‘thuis’ (habitat) van een diversiteit aan planten- en dierengemeenschappen. En bij het betreden van dat huis de bezoekersregels moeten worden gerespecteerd, ook als je die niet altijd goed begrijpt.

Met dit inzicht is het is een veilige conclusie te stellen dat in het overbruggen van de verschillende ideeën over natuur tussen boeren en natuurorganisaties noodzakelijk werk is te doen. Hoe zit het eigenlijk met het vak ‘natuur en milieu’ in het agrarisch onderwijs? Dat zou toch een geweldig belangrijk vak moeten zijn in het agrarische onderwijs, gegeven het feit dat 2/3 van het Nederlands grondgebied in agrarische handen is. Of is dat enkel een keuzevak, voor de liefhebbers? Mooie vraag voor onze onderwijsinspectie.

Boeren en natuur